Uitgangspunten 
Kostenmutaties van projecten worden ingepast in het totale infrastructuurprogramma op basis van zorgvuldige afwegingen. In het geval van kostenstijgingen bij een gekozen planstudievariant en bij projecten in uitvoering wordt per project beoordeeld hoe die binnen het totale programma kunnen worden opgelost. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Eerst wordt bekeken of de kosten bij de uitvoering van het project teruggebracht kunnen worden (bijvoorbeeld door het gebruik van andere materialen of technieken);
  • Daarna wordt onderzocht of de scope dan wel de functionaliteit van het project kan worden aangepast;
  • Als de kostenstijging niet binnen het project zelf kan worden opgevangen, dan wordt bekeken of andere projecten binnen de desbetreffende regio en het desbetreffende deelprogramma kunnen worden versoberd of vertraagd (zodanig dat het totale programma weer financieel sluitend is);
  • Mocht dit geen oplossing bieden, dan zal binnen het totale infrastructuurprogramma een oplossing worden gezocht, zo nodig door het schrappen van het betreffende of een ander planstudieproject.

Aanbestedingsresultaten
I n de begroting is een aanbestedingresultaat van € 1,54 miljard (prijspeil 2004) verwerkt voor de sectoren spoor, hoofdwegen, hoofdvaarwegen en hoofdwatersystemen in de periode 2005 tot en met 2010. Deze verwachte aanbestedingsresultaten zijn onder meer ingezet om de door de Kamer ingediende amendementen op de begroting 2005, de invulling van de taakstelling “doelmatig aanbesteden” en de spoortunnel Delft van dekking te voorzien.

Bij de beantwoording van vragen over de Voorjaarsnota 2005 en de ontwerpbegroting 2006 is aangegeven dat de berekening van aanbestedingsresultaten op twee momenten wordt herijkt. De eerste herijking vindt in 2006 plaats ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding 2007. De tweede herijking is voorzien in 2008 ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding 2009. Inmiddels is de eerst e herijking uitgevoerd . Daarbij is gekeken naar:

  • de omvang van de aan te gane verplichtingen (de grondslag);
  • de periode waarin een verplichting gerealiseerd wordt in kas (de kasjaarreeks);
  • de veronderstellingen ten aanzien van met name de mate van marktspanning.

De herijking heeft geleid tot een additioneel verwacht aanbestedingsresultaat van € 149 miljoen (prijspeil 2006) over de periode 2005 tot en met 2010. Dit bedrag wordt ingezet voor waterveiligheid, het programma filevermindering en de uitkomsten van de netwerkanalyses. Bij de betreffende onderwerpen in de ontwerpbegroting 2007 wordt deze aanwending nader gespecificeerd.

De gerealiseerde aanbestedingsresultaten worden geconfronteerd met het in de begroting verwerkte resultaat. Mochten de aanbestedingsresultaten in enig jaar hoger uitvallen dan voor dat jaar geraamd, dan wordt het meerdere in beginsel binnen de betreffende modaliteit aangewend voor het versnellen van het betreffende programma. Het omgekeerde kan zich natuurlijk ook voordoen. Jaarlijkse plussen en minnen worden dus in beginsel opgevangen binnen het bestaande programma. Mocht blijken dat dit niet langer haalbaar en/of wenselijk is, dan wordt de Tweede Kamer hierover in het kader van de begrotingscyclus geïnformeerd.

Financiële categorisering
Met ingang van het MIT Projectenboek 2006 is het zichtjaar van het MIT gewijzigd van 2010 in 2020. De financiële categorisering is hierop aangepast, waarbij speciale aandacht is besteed aan de verschillende MIT periodes (t/m 2014 en 2015-2020) en de beschikbaarheid van financiële middelen in deze periodes. De categorisering ziet er als volgt uit:

Realisatie

  • Categorie 0: Projecten, waarvoor een uitvoeringsbesluit is genomen (financiering is rond).
    Voor deze projecten zijn in de MIT-tabellen een taakstellend budget en de kasplanning aangegeven. Verder is het jaar van opleveren (= openstelling, dus niet financiële oplevering) gepresenteerd.

Planstudie

  • Categorie 1: Planstudies voor projecten met de volgende kenmerken:
    • De start van de realisatie van het project is voorzien in de periode tot en met 2014;
    • Er is in de periode tot en met 2014 zicht op financiële middelen en/of er zijn reeds besluiten genomen over het (voorlopig) reserveren/beschikbaar stellen van financiële middelen;
    • Er wordt bekeken of er aanvullende financiële middelen beschikbaar gesteld kunnen/zullen worden voor het project (via andere begrotingen, zoals het FES, via andere overheden en/of via private partijen).

Voor deze projecten is in de MIT-tabellen aangegeven of er een (voorlopige) financiële reservering is gemaakt. Indien dat (nog) niet mogelijk is, is een raming van de projectkosten gegeven. Ook is de (verwachte) uitvoeringsperiode gepresenteerd.

  • Categorie 2: Planstudies voor projecten met de volgende kenmerken:
    • De mogelijke start van de realisatie van het project is voorzien in de periode 2015 – 2020;
    • De mogelijke projecten voor deze fase zijn bekend, maar er is voor de periode 2015 – 2020 nog onvoldoende zicht op financiële middelen voor een bouwvariant van het project;
    • Er wordt bekeken of er financiële middelen beschikbaar gesteld kunnen/zullen worden voor het project (reguliere middelen én middelen via andere begrotingen, zoals het FES, via andere overheden en/of via private partijen).

Voor deze projecten is in de MIT-tabellen een indicatie van de projectkosten gegeven en is de (mogelijke) uitvoeringsperiode gepresenteerd;

  • Categorie 3: Planstudies voor projecten, waarvan de start van de uitvoering tot en met 2020 niet is voorzien, maar waarover (bestuurlijk) afspraken zijn gemaakt om (voorlopig) verder te studeren.

 

Verder lezen?

1. Algemeen

2. Waterbeleid

3. Mobiliteitsbeleid
Hoofdvaarwegen
Spoorwegen

Hoofdwegenprogramma
Netwerkanalyses

Prijsbeleid
Tol en versnellingsprijs

4. Overkoepelende thema's
PPS
Luchtkwaliteit

Beheer en onderhoud
EU

Toelichting
Procedure MIT
Procedure SNIP

Uitgangspunten
Aanbestedingsresultaten
Financiële categorisering

Opbouw projectenboek
Projectbladen