4. Overkoepelende thema’s

PPS
Publiek-private samenwerking (PPS) en innovatieve vormen van aanbesteding kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de oplossing van verkeer- en vervoerproblemen en de realisatie van infrastructuur. Samen met VNO/NCW, Bouwend Nederland, ONRI, de banken en de ministeries van Financiën, Economische Zaken en VROM heeft Verkeer en Waterstaat in de Taskforce PPS/infrastructuur gewerkt aan concrete instrumenten om PPS een duurzaam onderdeel van het verkeer- en vervoerbeleid te maken. In de Taskforce zijn de volgende instrumenten ontwikkeld om belemmeringen voor de toepassing van PPS weg te nemen:

  • Een handboek voor DBFM-contracten (Design, Build, Finance, Maintain);
  • Een modulaire DBFM-basisovereenkomst;
  • Een praktische werkwijzer voor de vervlechting van tracé/m.e.r.- en aanbestedingsprocedures.
  • Een werkwijzer ’nieuwe marktbenadering’, waarin is beschreven hoe de overheid marktpartijen kan betrekken in de vroege planstudiefase van projecten.

De Taskforce heeft verder de volgende twaalf projecten benoemd die kansrijk zijn voor PPS (in willekeurige volgorde): A10 Tweede Coentunnel, A4 Delft - Schiedam, A2 Passage Maastricht, A15 Maasvlakte - Vaanplein en Mainportcorridor A4/A15, A27 Breda - Utrecht, Ring Utrecht, A6/A9 Schiphol - Almere, Ruimte voor de Rivier, Zuidas Amsterdam, Tweede Maasvlakte, Zuiderzeelijn (afhankelijk van nadere besluitvorming). Bij het project Tweede Coentunnel wordt voor het eerst de DBFM-basisovereenkomst gebruikt en heeft ook het DBFM handboek inmiddels zijn nut bewezen.

Meer concreet werkt Verkeer en Waterstaat op de volgende wijze aan het uitbouwen van PPS:

  • Verkeer en Waterstaat investeert veel in het ontwikkelen in eigen huis van kennis op PPS gebied. Zo is er een Centrum voor Projectmanagement opgericht en wordt een PPS Kennispool ingericht met medewerkers die deskundig zijn op financieel-economisch en contract-juridisch gebied en worden er opleidingen aangeboden. Hierdoor ontwikkelen steeds meer medewerkers de attitude en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het toepassen van PPS bij de uitvoering van projecten en zal in de toekomst minder PPS kennis ingehuurd hoeven te worden.
  • Vanaf 2005 wordt voor alle infrastructuurprojecten getoetst of de inschakeling van private partijen, de ‘markt’, meerwaarde oplevert. Dit gebeurt in verschillende stadia van een project. In de verkenningsfase van alle projecten wordt een 'marktscan' gehouden, waarbij wordt bepaald of, en zo ja op welk moment, de markt het beste bij de ontwikkeling van een project kan worden betrokken. Bij een marktscan wordt ook bekeken of tol een kansrijke optie is voor het project. In een latere fase wordt voor de projecten van meer dan € 112,5 miljoen het vergelijkings-instrument ‘Public Private Comparator’ (PPC) gebruikt. Uit de PPC blijkt of samenwerking tussen overheid en markt meerwaarde heeft ten opzichte van het zelf uitvoeren van een project door de overheid. PPS heeft meerwaarde als dit leidt tot lagere projectkosten of tot een betere prijs/kwaliteitverhouding. Vanzelfsprekend moet de markt haar investeringen (voorfinanciering) later kunnen terugverdienen. Dit kan bijvoorbeeld door tolheffing voor een weg, brug of tunnel of door de zogenaamde beschikbaarheidvergoedingen gedurende de gebruiksfase.
  • Er wordt één ‘loket’ voor het behandelen van zogenaamde Unsollicited Proposals ingericht. De term ‘Unsolicited Proposal’ betekent letterlijk: ‘ongevraagd voorstel’, in het Nederlands ook wel vertaald in ‘eigen initiatief’. Onder een eigen initiatief wordt verstaan een oorspronkelijk idee, ontwikkeld door een private partij, voor de oplossing van een bij een publieke partij bestaand probleem, waar de publieke partij niet zelf om heeft gevraagd, en welk idee bij een publieke partij aantoonbare maatschappelijke meerwaarde biedt.

Het doel van het loket is tweeledig. Primair is het nadrukkelijk open staan voor (ongevraagde) ideeën vanuit de private sector, deze te bevorderen en hiermee goede ideeën en creativiteit te benutten. Het loket heeft naast een initiërende ook een faciliterende functie door inzicht te geven waaraan een initiatief moet voldoen. Een belangrijke functie van het loket is namelijk de behandeling van deze eigen initiatieven binnen Verkeer en Waterstaat te structureren, in de werkwijze te incorporeren en de beoordeling van initiatieven te uniformeren.

Luchtkwaliteit
Nederland voldoet op dit moment niet overal aan de EU-norm voor fijn stof (PM10, geldig vanaf 1 januari 2005). Ook de EU-norm voor stikstofdioxide (NO2, geldig vanaf 1 januari 2010) wordt voor Nederland problematisch. Dit leidt tot risico’s voor de volksgezondheid en legt juridische blokkades voor nieuwe ruimtelijke ingrepen, zoals de aanleg van infrastructuur, bedrijventerreinen en woningbouw.

Actuele stand van zaken
Het probleem van luchtkwaliteit wordt op een breed front aangepakt; zowel nationaal als internationaal. Dankzij deze inzet ligt een belangrijk deel van de tracéwet projecten op schema. Naar verwachting vertraagt de besluitvorming over ongeveer een derde deel van de MIT-projecten met als hoofdoorzaak de luchtproblematiek. Bij een deel van deze projecten wordt de procedurele vertraging weer ingelopen. Voor een beperkt deel is dit naar verwachting niet het geval. Om de voortgang in de MIT-projecten te waarborgen, blijft de komende tijd een brede inzet op luchtkwaliteit hard nodig. Verkeer en Waterstaat zet in op verbetering van de luchtkwaliteit enerzijds en het zoveel mogelijk op koers houden van de uitvoering van het MIT en andere (rijks)projecten anderzijds. De volgende sporen dragen hier aan bij:

Nationale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit in het NSL
Een belangrijke ontwikkeling voor 2007 is de vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het NSL werkt Verkeer en Waterstaat samen met onder andere het ministerie van VROM en decentrale overheden. Het NSL brengt maatregelen voor luchtkwaliteit en projecten samen. In dit spoor zijn concrete, kosteneffectieve maatregelen genomen en voorgesteld, die er voor moeten zorgen dat Nederland tijdig aan de EU-normen voor luchtkwaliteit voldoet. Het gaat hierbij zowel om generieke als om lokale maatregelen. In 2006 heeft het kabinet voor de aanpak van luchtkwaliteit, boven op de reeds beschikbare € 90 miljoen, € 150 miljoen extra beschikbaar gesteld uit de FES-impuls 2006. In het Platform Duurzame Mobiliteit en met het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit worden bovendien innovatieve oplossingen gezocht en verkend op hun oplossend vermogen.

Aanpassing nationale regelgeving
Begin 2006 is het Wetsvoorstel inzake Luchtkwaliteitseisen ingediend bij de Tweede Kamer (TK 30489, nr. 1). Het wetsontwerp legt de basis voor het NSL en is daarmee gericht op het combineren van extra inspanningen ter verbetering van de luchtkwaliteit met het voorkomen van stagnatie voor infrastructuur en bouwprojecten. Daarnaast legt de nieuwe Wet de basis voor de introductie van de AMvB ‘in betekenende mate’. Hierin wordt bepaald dat bijvoorbeeld infrastructuurprojecten die maximaal 3% verslechtering van de luchtkwaliteit opleveren, als ‘niet in betekenende mate’ beoordeeld worden en niet verder op luchtkwaliteit getoetst hoeven te worden.

Tot de inwerkingtreding van de nieuwe Wet vormt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 de rechtsbasis voor projecten. Het Besluit biedt mogelijkheden voor projecten in overschrijdingsgebieden, die, al dan niet na het treffen van aanvullende projectspecifieke maatregelen, geen verslechtering van de luchtkwaliteit met zich meebrengen. Daarnaast is er met het Besluit projectgebonden saldering mogelijk, waarmee een verslechtering van de luchtkwaliteit op één plaats gecompenseerd kan worden door een verbetering op een andere plek. Daarnaast kunnen verkeerstechnische (netwerk)effecten in de saldering worden meegenomen. Ook is in het Besluit geregeld dat zeezout niet meegerekend hoeft te worden bij het vaststellen van de concentraties fijn stof in de lucht.

Europees beleid
De internationale inzet van Nederland richt zich in de eerste plaats op de lopende herziening van de EU-richtlijn luchtkwaliteit. Nederland wil de herziening aangrijpen om te komen tot realistische en haalbare normen en voldoende flexibiliteit om prioriteit te kunnen geven aan die situaties waar sprake is van voor de volksgezondheid relevante blootstelling. Als onderdeel hiervan pleit Nederland voor voldoende uitstel voor het halen van de normen voor fijn stof en NO2 voor landen die kunnen aantonen dat, ondanks een maximaal redelijke inspanning, deze normen niet tijdig haalbaar zijn.
Daarnaast zet Nederland in op verdere aanscherping van het Europees bronbeleid. Spoedige aanscherping van Europese emissienormen voor voer- en vaartuigen biedt uitzicht op een structurele oplossing van de luchtkwaliteitproblemen.

 

Verder lezen?

1. Algemeen

2. Waterbeleid

3. Mobiliteitsbeleid
Hoofdvaarwegen
Spoorwegen

Hoofdwegenprogramma
Netwerkanalyses

Prijsbeleid
Tol en versnellingsprijs

4. Overkoepelende thema's
PPS
Luchtkwaliteit

Beheer en onderhoud
EU

Toelichting
Procedure MIT
Procedure SNIP

Uitgangspunten
Aanbestedingsresultaten
Financiële categorisering

Opbouw projectenboek
Projectbladen